Financiering en zekerheden, wat zijn de gevolgen bij een faillissement? Het complete overzicht

Wat zijn ‘Financiering en zekerheden’?

Als onderneming of instelling word je bij het aangaan van financieringen of andere relaties vaak geconfronteerd met een gigantische hoeveelheid aan voorwaarden. Wij beoordelen samen met de onderneming/ organisatie de kredietdocumentatie en adviseren je hierover. Ook procederen en adviseren we ondernemers en financiers over het vestigen en uitwinnen van zekerheden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld pand- en hypotheekrechten, eigendomsvoorbehouden, maar ook zogeheten persoonlijke zekerheden zoals hoofdelijke aansprakelijkheid en borgstellingen.

Vragen over financiering en zekerheden komen vaak op bij herfinancieringen, het beëindiging van de financiering(en),  bedrijven in moeilijkheden en (helaas) ook bij faillissementen. Bevindt jouw onderneming zich in zwaar weer of heeft de bank bijvoorbeeld de rekening-courant financiering opgezegd? Neem dan direct – vrijblijvend – contact met ons.

Soorten zekerheidsrechten, welke zekerheidsrechten zijn er?

Er zijn zekerheidsrechten in heel veel vormen en maten. De bekendste zijn waarschijnlijk het pandrecht en het hypotheekrecht. Hierna bespreken we eerst deze vormen van zekerheidsrechten. Daarna zullen we ook nog andere en mindere bekende de revue laten passeren om een goed beeld te schetsen van de mogelijkheden, maar ook de risico’s.

PAND- EN HYPOTHEEKRECHTEN, WAT HOUDEN DEZE IN?

In faillissementsituaties kunnen pand- en hypotheekhouders hun pandrecht of hypotheekrecht uitoefenen alsof er geen faillissement is. Wanneer zij dit doen en dan buiten het faillissement – en buiten de bemoeienis van een curator – verhaal nemen op de zaken of vorderingen die zij van de failliete ondernemingen / organisatie in pand of hypotheek hebben gekregen, hoeven zij ook niet bij te dragen aan de zogeheten algemene faillissementskosten. Ze zijn in dat geval geen vergoeding aan de curator verschuldigd.

Ze zijn echter niet altijd hun zekerheidsrecht uitoefenen en dan ook alleen gerechtigd op de opbrengst. Stel de bank heeft een financiering verstrekt aan een onderneming en heeft daarbij een pandrecht gekregen op de inventaris van deze onderneming. Als de onderneming dan failliet gaat en de Belastingdienst heeft ook nog een vordering in verband onbetaalde gebleven belastingschulden, dan kan de bank haar pandrecht uitoefenen en overgaan tot (openbare) verkoop van de inventaris. De Belastingdienst heeft dan echter een zogeheten voorrecht wat geldt voor het pandrecht van de bank bij de verdeling van de uiteindelijke opbrengst. Na het in mindering brengen van de kosten voor de verkoop van deze inventaris, zal eerst de vordering van Belastingdienst in mindering moeten worden gebracht en daarna is de bank aan de beurt.

PAND- EN HYPOTHEEKRECHTEN EN HET STELLEN VAN TERMIJNEN DOOR DE CURATOR 

Om ervoor te zorgen dat de afwikkeling van het faillissement geen onnodige vertraging oploopt, kan e curator een ‘redelijke termijn’ stellen om over te gaan tot het uitwinnen van de pand- en/of hypotheekrechten.

Deze termijn kan – wanneer het uitwinnen niet mogelijk blijkt te zijn – de curator, meestal naar eigen inzicht, deze termijn een of meerdere malen verlengen.

Gebeurt er vervolgens nog steeds niet, dan kan de curator namens de boedel uiteindelijk zelf overgaan tot (openbare) verkoop van de (roerende of onroerende) zaken waarop een pand- of hypotheekrecht is gevestigd. Wanneer dit het geval is, zullen de zekerheidsrechten van de pand- en/of hypotheekhouders niet volledig gepasseerd worden, maar zullen ze wel een kostenvergoeding moeten betalen aan de curator. Beter gezegd ze zullen dan moeten bijdragen aan de algemene faillissementskosten, hetgeen tot behoorlijke extra kosten kunnen leiden.

Als pand- en hypotheekhouder is het vaak veel verstandiger om de uitwinning van de zekerheidsrechten in eigen hand te nemen of duidelijke afspraken hierover te maken met de curator. Anders lopen de kosten vaak gigantisch op.

AFSPRAKEN TUSSEN PAND- EN HYPOTHEEKHOUDERS EN DE CURATOR – WAT IS EEN BOEDELBIJDRAGE?

Om te voorkomen dat men als pand- en hypotheekhouder geconfronteerd wordt met strikte termijnen en de dreiging van extra kosten, wordt vaak een deal getroffen met de curator. Denk bijvoorbeeld aan het laten incasseren van de debiteuren door (het kantoor van) de curator van de verpande debiteurenportefeuille tegen een vaste vergoeding of een vast percentage van de opbrengst.

De overeengekomen vergoeding en/of het overeengekomen percentage wordt dan benoemd als de ‘boedelbijdrage’ die de pand- of hypotheekhouder verschuldigd is.

EN WAT ALS DE OPBRENGST ONVOLDOENDE IS?

Als je vervolgens als financier een pandrecht op een debiteurenportefeuille hebt gekregen of bijvoorbeeld een hypotheekrecht op een pand én de opbrengst daarvan is onvoldoende om het openstaande bedrag te voldoen, dan kun je het restant van je vordering indienen bij de curator en laten plaatsen op de lijst van ‘concurrente schulden’. Het restant gaat dan mee met – als daarvan sprake is – de uitdeling aan de andere ‘gewone’ schuldeisers.

UITWINNEN VAN PAND- EN HYPOTHEEKRECHTEN BUITEN FAILLISSEMENT, HOE WERKT DAT?

Als je als financier bijvoorbeeld een pandrecht op een debiteurenportefeuille hebt gekregen of bijvoorbeeld een hypotheekrecht op een pand, dan kun je dit – mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan – ook voor faillissement uitwinnen. Dit noemen we het recht van parate executie. Dit recht van parate executie is er voor zowel de pandhouder als de hypotheekhouder.

RECHT VAN PARATE EXECUTIE EN HET PANDRECHT, WAT HOUDT DAT IN?

Een pandhouder heeft het recht van parate executie. Hierdoor kan hij of zij zonder dat hij naar de rechter hoeft te gaan, het verkregen pandrecht verzilveren en heeft hij – tot het maximum van zijn vordering – recht op de opbrengst van de verpande goederen of vorderingen.

Je kunt als pandhouder hier gebruik van maken op het moment dat de schuldenaar in verzuim is met het (tijdig) betalen van de afgesproken bedragen.

Voor pandrechten op vorderingen betekent dit concreet, dat de pandhouder dan over kan gaan tot het executie door het innen van de verpande vorderingen. Wanneer bijvoorbeeld sprake is van een pandrecht op openstaande debiteuren, mag de pandhouder de debiteuren van de schuldenaar zelf gaan aanschrijven en verzoeken aan hem of haar te voldoen.

WAT IS EEN STIL PANDRECHT?

In de meeste gevallen worden klanten c.q. debiteuren natuurlijk niet van tevoren geïnformeerd over het pandrecht wat een onderneming bijvoorbeeld heeft verstrekt aan een financier. Dit noemen we dan een stil pandrecht. De stille pandhouder heeft de bevoegdheid van parate executie dan vanaf het moment dat hij mededeling van zijn pandrecht heeft gedaan aan de debiteur van de verpande vordering (in dit voorbeeld de klant van de onderneming). Door deze schriftelijke mededeling wordt hij openbaar pandhouder en vanaf dat moment is hij dus inningsbevoegd.

Mits goed vastgelegd, kun je als openbaar pandhouder – zonder rekening te hoeven houden met de pandgever (jouw debiteur) – zelfstandig overgaan tot het innen van openstaande bedragen.

De pandhouder kan dan – zonder dat hij of zij toestemming van de pandhouder of de rechter hoeft te hebben – overgaan tot het innen van het openstaande bedrag. De onderneming (de pandgever) heeft dan niet langer de bevoegdheid om deze vordering te innen en door de debiteur (de klant) kan dan alleen maar [bevrijdend betaald] worden aan de pandhouder.

DE BEVOEGDHEDEN VAN DE PANDGEVER NA OPEISEN PANDRECHT

De onderneming die in basis het recht heeft op betaling van bedrag X, maar deze vordering verpand heeft aan bijvoorbeeld de bank, blijft wel gerechtigd tot de vordering. Hij is echter – na de mededeling door de pandhouder – niet meer bevoegd deze te incasseren. Zijn andere bevoegdheden als schuldeiser blijven dan ook bij hem als pandgever. De belangrijkste bevoegdheden die de pandgever houdt zijn:

  1. het verlenen van kwijtschelding;
  2. het treffen van een (af)betalingsregeling;
  3. het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding;
  4. ontbinding; en
  5. beëindiging van de overeenkomst waar de vordering uit voortvloeit.

HOEVER GAAT DE BEVOEGDHEID VAN DE OPENBAAR PANDHOUDER DAN?

Hoewel de meeste bevoegdheden dus niet op de pandhouder overgaan na mededeling van het pandrecht geldt dat voor veruit de belangrijkste bevoegdheid – die tot inning – wel. En deze inningsbevoegdheid gaat behoorlijk ver. Het geeft de (openbaar) pandhouder ook de bevoegdheid om conservatoir en executoriaal beslag te leggen op de vordering.

Het is volgens de Hoge Raad zelfs mogelijk om als pandhouder het faillissement van de panddebiteur aan te vragen. De pandgever (dus de onderneming die het pandrecht verstrekt heeft aan bijvoorbeeld de financier) mag vervolgens pas het faillissement van de (pand)debiteur aanvragen na openbaarmaking van het pandrecht wanneer daartoe toestemming is verkregen van de pandhouder of van de rechtbank.

Ook is het mogelijk om de kosten die de pandhouder maakt om de verpande vordering te incasseren op de (pand)debiteur te verhalen en heeft de pandhouder ook de bevoegdheid tot uitwinning van de zekerheidsrechten (zoals een pand- en/of hypotheekrecht) die aan die verpande vordering zijn verbonden zekerheidsrechten pand en hypotheek.

Of dit alles ook geldt voor bijvoorbeeld een aan de verpande vordering verbonden borgstelling of eigendomsvoorbehoud is nog niet door de Hoge Raad uitgemaakt, maar lijkt wel aannemelijk.

PANDRECHT, WAT VOOR DEFINITIE GEEFT DE WET?

VUISTPAND – HET VESTIGEN DAARVAN (ARTIKEL 3:236 BW)
  1. Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of order, of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht, wordt gevestigd door de zaak of het toonder- of orderpapier te brengen in de macht van de pandhouder of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De vestiging van een pandrecht op een recht aan order of op het vruchtgebruik daarvan vereist tevens endossement.
  2. Op andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.
BEZITLOOS PANDRECHT – HET VESTIGEN DAARVAN (ARTIKEL 3:237 BW)
  1. Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder, of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht, kan ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder dat de zaak of het toonderpapier wordt gebracht in de macht van de pandhouder of van een derde.
  2. De pandgever is verplicht in de akte te verklaren dat hij tot het verpanden van het goed bevoegd is alsmede hetzij dat op het goed geen beperkte rechten rusten, hetzij welke rechten daarop rusten.
  3. Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen dat in die verplichtingen zal worden tekortgeschoten, is deze bevoegd te vorderen dat de zaak of het toonderpapier in zijn macht of in die van een derde wordt gebracht. Rusten op het goed meer pandrechten, dan kan iedere pandhouder jegens wie de pandgever of de schuldenaar tekortschiet, deze bevoegdheid uitoefenen, met dien verstande dat een andere dan de hoogst gerangschikte slechts afgifte kan vorderen aan een tussen de gezamenlijke pandhouders overeengekomen of door de rechter aan te wijzen pandhouder of derde.
  4. Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder die een bij voorbaat gevestigd pandrecht op te velde staande vruchten of beplantingen heeft, tekortschiet, kan de kantonrechter de pandhouder op diens verzoek machtigen zelf de te velde staande vruchten of beplantingen in te oogsten. Is de pandgever eigenaar van de grond of ontleent hij zijn recht op de vruchten of beplantingen aan een beperkt recht op de grond, dan kan de beschikking waarbij het verzoek wordt toegewezen, worden ingeschreven in de openbare registers.
  5. Tegen een beschikking krachtens het vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
HYPOTHEEKRECHT, WAT HOUDT DAT IN?

Artikel 3:260 BW bepaalt over het vestigen van een hypotheek(recht) het navolgende.

  1. Hypotheek wordt gevestigd door een tussen partijen opgemaakte notariële akte waarbij de hypotheekgever aan de hypotheekhouder hypotheek op een registergoed verleent, gevolgd door haar inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers. De akte moet een aanduiding bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald. Tevens moet het bedrag worden vermeld waarvoor de hypotheek wordt verleend of, wanneer dit bedrag nog niet vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van de hypotheek op het goed kan worden verhaald. De hypotheekhouder moet in de akte woonplaats kiezen in Nederland.
  2. Tenzij anders is bedongen, komen de kosten van verlening en vestiging ten laste van de schuldenaar.
  3. Bij de onder 1 bedoelde akte kan iemand slechts krachtens een bij authentieke akte verleende volmacht als gevolmachtigde voor de hypotheekgever optreden.
  4. Voor het overige vinden de algemene voorschriften die voor vestiging van beperkte rechten op registergoederen gegeven zijn, ook op de vestiging van een hypotheek toepassing.

Ter illustratie

Als jij als financier of bijvoorbeeld de bank een groot bedrag leent, dan kan een pandrecht op roerende zaken – zoals hierboven is beschreven – misschien niet voldoende zijn om er zeker van te zijn dat het volledige bedrag wat geleend is (of waarvoor geleverd is) terugbetaald wordt.

Een hypotheek kan dan een goede aanvulling op of een goed alternatief zijn voor een pandrecht. Een hypotheekrecht kan worden gevestigd op onroerende zaken, zoals bijvoorbeeld een pand (bedrijfspand of woning), een appartement of een stuk grond. Op andere zogeheten registergoederen zoals bijvoorbeeld een woonboot kan ook een hypotheek gevestigd worden. Een hypotheek is bijna hetzelfde als een pandrecht, maar er gelden andere formele vereisten. Zo dient het recht op hypotheek via de notaris gevestigd te worden en te worden ingeschreven in het kadaster.

ANDERE ZEKERHEIDSRECHTEN

Naast het pand- en hypotheekrecht zijn er nog een heel aantal andere zekerheidsrechten. We geven hierna graag een overzicht van de belangrijkste en bekendste.

EIGENDOMSVOORBEHOUD – ARTIKEL 3:92 BW
  1. Heeft een overeenkomst de strekking dat de een zich de eigendom van een zaak die in de macht van de ander wordt gebracht, voorbehoudt totdat een door de ander verschuldigde prestatie is voldaan, dan wordt hij vermoed zich te verbinden tot overdracht van de zaak aan de ander onder opschortende voorwaarde van voldoening van die prestatie.
  2. Een eigendomsvoorbehoud kan slechts geldig worden bedongen ter zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie voor door de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst geleverde of te leveren zaken of krachtens een zodanige overeenkomst tevens ten behoeve van de verkrijger verrichte of te verrichten werkzaamheden, alsmede ter zake van de vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming van zodanige overeenkomsten. Voor zover een voorwaarde op deze grond nietig is, wordt zij voor ongeschreven gehouden.
  3. Een voorwaarde als in lid 1 bedoeld wordt voor vervuld gehouden, wanneer de vervreemder op enige andere wijze dan door voldoening van de tegenprestatie wordt bevredigd, wanneer de verkrijger van zijn verplichting daartoe wordt bevrijd uit hoofde van artikel 6:60 BW, of wanneer de verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie is voltooid. Behoudens afwijkend beding, geldt hetzelfde bij afstand van het recht op de tegenprestatie.

Ter illustratie

Stel je levert als ondernemer – met bijvoorbeeld een betalingstermijn van 14 of 30 dagen – je producten aan een klant. Normaal gesproken gaat dan het eigendom direct over op het moment dat je de producten bij de klant aflevert. Ook als de klant nog niet betaal heeft. Om dit te voorkomen kun je een eigendomsvoorbehoud afspreken. Dit heeft tot gevolg dat ook na de levering het eigendom bij jou als leverancier blijft totdat (!) het volledige openstaande bedrag betaald is. Eigendomsvoorbehouden worden meestal opgenomen in algemene voorwaarden of inkoop/verkoopcontracten, maar kunnen ook op een andere manier vastgelegd worden.

HET ACHTERSTELLEN VAN LENINGEN – ARTIKEL 3:277 LID 2 BW

Deze mogelijkheid van extra zekerheid is opgenomen in artikel 3:277 lid 2 BW. Dit artikel bepaalt het navolgende. Bij overeenkomst van een schuldeiser met de schuldenaar kan worden bepaald dat zijn vordering jegens alle of bepaalde andere schuldeisers een lagere rang neemt dan de wet hem toekent.

Ter illustratie

Als je dus geld uitleent aan partij X, maar deze partij heeft ook al een lening verkregen bij een andere partij dan kan partij X aan de eerdere leningsverstrekker vragen om de lening achter te stellen op jouw lening. Jouw lening zal dan eerst betaald worden. Omdat de eerdere leningsverstrekker in principe gelijke rechten heeft qua terugbetaling (zie ook artikel 3:277 lid 1 BW) moet hij daarvoor – bij voorkeur schriftelijk – toestemming voor geven.

De achterstelling van een lening kom je als ondernemer vaak tegen in je relatie met de bank. Als jij via je holding of bijvoorbeeld de partij van wie je de onderneming hebt gekocht al een oudere lening hebt verstrekt aan je werkmaatschappij, dan verzoekt de bank vraag om achterstelling van die lening op haar (nieuwere) lening.

U wilt geld uitlenen aan een relatie, maar deze partij heeft ook een lening bij een andere partij. Uw relatie kan met deze laatste partij afspreken dat die lening wordt achtergesteld op uw lening. Dit betekent dat uw lening eerst betaald wordt voordat wordt betaald aan de schuldeiser die haar lening heeft achtergesteld. Hiervoor is medewerking van andere schuldeisers vereist, die moeten namelijk instemmen met de achterstelling.

HET RETENTIERECHT – ARTIKEL 3:290 BW

Het retentierecht is een zogeheten verhaalsrecht op een goed/zaak, of beter gezegd een opschortingsrecht. Artikel 3:290 BW geeft over het recht van retentie het volgende aan.

Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan.

Ter illustratie

Stel je bent eigenaar van een fietsenhandel en een klant vraagt je om zijn e-bike te repareren, maar hij betaalt vervolgens de rekening niet direct. In dat geval kun je als ondernemer – mits je je aan de voorwaarden houdt – de e-bike ‘onder je houden’ totdat de rekening daadwerkelijk betaald is. Zelfs als de e-bike van iemand anders dan de klant blijkt te zijn, mag je in sommige situaties tot het moment dat voor de reparatie betaald is, de e-bike onder je houden en hoef je deze dus niet af te geven. Je schort de afgifte van de e-bike dan op.

HOOFDELIJKHEID / HOOFDELIJKE AANSPRAKELIJKHEID – ARTIKEL 6:6 BW

Stel dat je een lening afgeeft of hebt afgegeven aan meerdere partijen (rechtspersonen), in dat geval kun je ook hoofdelijkheid van de lening of te wel hoofdelijke aansprakelijkheid overeenkomen met de schuldenaar. Artikel 6:6 BW zegt hierover het navolgende.

  1. Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn.
  2. Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
  3. Uit een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer rechtsopvolgers overgaat, dezen voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zullen zijn.

Ter illustratie

Je kunt bij hoofdelijkheid bijvoorbeeld denken aan het hoofdelijk aansprakelijk zijn van een holding c.q. moedervennootschap of zelfs een zustervennootschap bij een lening die aan de werkmaatschappij wordt verstrekt. Daarvoor moeten dan alle partijen de leningsovereenkomst in verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid meetekenen. Bij bankleningen zien we dit bijvoorbeeld ook wel in situaties dat de ondernemer/aandeelhouder zelf mee moet tekenen en zich hoofdelijk verbindt aan de lening van de BV.

Als financier kun je dan altijd tegelijkertijd alle partijen aanspreken die zich hoofdelijk verbonden hebben aan de lening. Op deze manier verschilt de hoofdelijke aansprakelijkheid dan ook van de borgstelling.

BORGTOCHT / BORGSTELLING – ARTIKEL 7:850 BW

Borgtocht (ook wel borgstelling genoemd) verschilt dus enigszins van de hoofdelijke aansprakelijkheid. De partij die zich borg stelt voor de schuld (de nakoming) door een andere partij, kan niet direct aangesproken worden inzake de nakoming. De schuldeiser moet eerst de leningnemer (de debiteur) zelf aanspreken om de openstaande rekening te betalen.

Artikel 7:850 BW zegt over borgtocht/ borgstelling het navolgende.

  1. Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.
  2. Voor de geldigheid van een borgtocht is niet vereist dat de hoofdschuldenaar deze kent.
  3. Op borgtocht zijn de bepalingen omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing, voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.

Borgstelling eindigt doordat de hoofdverbintenis – waarvoor de borg zich verbonden heeft – eindigt. Anders gezegd; zonder hoofdverplichting is er ook geen borgtochtverplichting meer.

Het is dus zaak om het recht van reclame tijdig in te roepen!

RECLAMERECHT / RECHT VAN RECLAME – ARTIKEL 7:39 BW

Artikel 7:39 BW beschrijft het recht van reclame (officieel de terugvordering door verkoper en deelbetaling) als volgt:

  1. De verkoper van een roerende, aan de koper afgeleverde zaak die niet een registergoed is, kan, indien de prijs niet betaald is en in verband daarmee aan de vereisten voor een ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek 6 is voldaan, de zaak door een tot de koper gerichte schriftelijke verklaring terugvorderen. Door deze verklaring wordt de koop ontbonden en eindigt het recht van de koper of zijn rechtsverkrijger; de artikelen 6:271 BW, 6:273 BW, 6:275 BW en 6:276 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. Is slechts de prijs van een bepaald deel van het afgeleverde niet betaald, dan kan de verkoper slechts dat deel terugvorderen. Is ten aanzien van het geheel een deel van de prijs niet betaald, dan kan de verkoper een daaraan evenredig deel van het afgeleverde terugvorderen indien het afgeleverde voor een zodanige verdeling vatbaar is. In beide gevallen wordt de koop slechts voor het teruggevorderde deel van het afgeleverde ontbonden.
  3. In alle andere gevallen van gedeeltelijke betaling van de prijs kan de verkoper slechts het afgeleverde in zijn geheel terugvorderen tegen teruggave van het reeds betaalde.

Het reclamerecht lijkt dus wel wat op het – hiervoor besproken – eigendomsvoorbehoud. Bij een eigendomsvoorbehoud mag je immers de geleverde goederen terughalen wanneer er door de afnemer niet voor wordt betaald

Anders dan bij een eigendomsvoorbehoud hoef je het reclamerecht evenwel niet (schriftelijk of mondeling) over een te komen. Het is namelijk een wettelijk – in artikel 7:39 BW – vastgelegd recht. Anders bij een eigendomsvoorbehoud zitten er wel duidelijke restricties in qua tijd. Wil je tijdig een beroep doen op het recht van reclame dan gelden de volgende (fatale) termijnen:

  • Het reclamerecht is in te roepen tot maximaal 6 weken nadat de vordering opeisbaar is geworden; en
  • tot maximaal 60 dagen nadat de zaken bij de kopende partij zijn opgeslagen.

Daarna kun je geen beroep meer doen op het recht van reclame.

BANKGARANTIE – NIET WETTELIJK GEREGELD, MAAR WEL VEEL GEBRUIKT

De bankgarantie kent geen wettelijke definitie maar worden omschreven als een garantie die een leverancier, verkoper of bijvoorbeeld een verhuurder vraagt van de afnemer. Deze laatste partij zal dan via zijn bank een garantie moeten regelen – meestal volgens een vast standaard model –  waarop de verkrijger van de bankgarantie dan een beroep kan doen wanneer de afnemer niet zijn of haar verplichtingen nakomt.

Ter illustratie

Bij het kopen van een huis wordt in 99,9% van de gevallen om een bankgarantie gevraagd van een bepaald percentage van de overeengekomen koopsom voor het geval de koper toch zijn verplichtingen niet nakomt en het huis niet afneemt. Ook kun je denken aan de situatie dat je als verhuurder een bedrijfspand in eigendom hebt en dit pand aan een derde verhuurd. Om er zeker van te zijn dat de maandelijkse huur voldaan wordt en/of je schade makkelijker kunt verhalen, vraag je aan de huurder dan een bankgarantie voor een of meerdere maanden huur. Als de huurder niet betaalt, dan staat de bank garant voor het bedrag dat de huurder nog moet betalen. Ook in het geval van een faillissement van de huurder kun je als verhuurder dan een beroep doen op deze bankgarantie.

Wil je vrijblijvend overleggen?

Neem dan gerust contact met ons op via dries@leanlawyers.nl of op 085- 303 6429. Wij denken graag met je mee.

Related Posts

Privacy-voorkeuren
Onze website deelt net als heel veel andere websites koekjes - beter gezegd: cookies - uit wanneer je deze bezoekt. Dit zijn kleine (tijdelijke) tekstbestanden voor je pc.

Dankzij deze cookies hoef je niet steeds dezelfde informatie in te voeren of te downloaden wanneer je onze website weer bezoekt. Lekker handig :-) Daarnaast helpen ze ons om te bekijken hoe jij en andere bezoekers onze website gebruiken en hoe wij de website en onze service beter en klantvriendelijker kunnen maken. En ja, we gebruiken ze ook voor marketingdoeleinden.

Daarnaast maakt onze website gebruik van JavaScript. Hiermee proberen we mooie dingen te doen, soms in combinatie met cookies en (web)beacons.

Cookies accepteren
Als je onze sites in optima forma wilt gebruiken, dan is het nodig dat je onze cookies accepteert. Misschien heb je dat al standaard zo ingesteld, super! Heb je dat nog niet gedaan, dan is dat heel makkelijk. Je kan onze cookies op twee manieren accepteren: de cookiemelding die je op je eerste bezoek ziet sluiten of simpelweg verdergaan op onze sites.